maandag 28 april 2008

Vreemde berichtgeving

Vanochtend hoorde ik op de autoradio dat er mensen zijn die brieven naar God schrijven.
Op zich natuurlijk al heel vreemd maar misschien lucht het op.
De post weet niet wat ze met die brieven aan moet en die stuurt ze door naar de EO.
De EO leest ze en beantwoordt sommige van die brieven
(Ik zie in gedachten Andries Knevel al achter de tikmachine zitten, je moet toch wel heel megalomaan zijn om te denken dat je God bent.)

Maar goed, nu er is een meneer die vindt dat dit helemaal niet kan. (En terecht!)Hij heeft een postbus geopend waar die brieven naartoe kunnen en hij heeft toegezegd dat hij al die brieven dan zal verbranden.
Maar hoe weet je dan dat hij echt al die brieven zal verbranden?
Tja, dat weet je natuurlijk nooit. Het kan ook zijn dat hij de leukste brieven bundelt en een boek uitgeeft.
ALs je de behoefte voelt om een brief aan God te schrijven kun je hem dus beter zelf in de open haard gooien.

vrijdag 25 april 2008

Borstkanker(2)

Donderdag 17 april

Hij is eraf, ik ben hem kwijt. De ochtend na de operatie komt een assistent chirurg langs in het gezelschap van een verpleegster. De chirurg kijkt naar de wond en stelt vast dat het er goed uitziet. De wond is al dicht.
Ze vraagt of ik er al aan toe ben om het te zien. Nee, ik ben er nog niet aan toe maar zal ik dat ooit wel zijn? Ik kan maar beter direkt de confrontatie aangaan.
Ik zeg dat ik het wil zien en Desirée, de verpleegster pakt een spiegel en geeft hem aan mij.
Ze halen het verband los en dan zie ik het. Op de plaats waar mijn borst zat is het nu bont en blauw met een rode horizontale streep. Op de streep zitten allemaal steunpleistertjes. Mijn linkerkant is nog helemaal oranje van de ontsmetting.
“Hij heeft het netjes gedaan”, zegt de chirurg-assistente. Desirée houdt mijn hand vast, ze merkt dat ik heftig geëmotioneerd ben. Ik kan merken dat het haar ook niet onberoerd laat.
Ze vraagt of ze de spiegel op het nachtkastje zal leggen zodat ik later nog een keer kan kijken,en zegt dat ze over 10 minuten koffie komt brengen.
De 10 minuten gebruik ik om het allemaal nog eens goed te bekijken en het tot me door te laten dringen.
Dan komt Desirée terug en ik geef de spiegel aan haar. Ik heb genoeg gezien.

donderdag 24 april 2008

Toosje gaat naar didgeridoo les

Dit is weer een verhaal à deux. b) is Ben an (a) ben ik.

a) Toosje was naar Australie geweest en had daar vandaan een didgeridoo meegenomen zoals zoveel toeristen doen.
Maar nu wilde ze ook leren spelen en ze had een adresje gevonden, niet al te ver weg.
Ze pakte haar fiets, het was wel een beetje onhandig met dat ding maar uiteindelijk reed ze weg met een hand aan het stuur en in de andere had ze de didgeridoo.
Ze reed net op de Laan van Meerdervoort toen er een bromfiets naast haar kwam rijden.
‘Waar ga je zo laat naar toe, meisje?’ vroeg de berijder van de bromfiets.
Toosje zei niets maar trapte stevig door, ze was wel een beetje bang.
De berijder van de bromfiets ging heel dicht naast haar rijden en probeerde haar aan te raken.
Plotseling werd Toosje woedend en gaf de bromfietser een stevige mep met haar didgeridoo.
De eerste klap was geen daalder waard; de bromfietser begon te lachen. Dat had hij beter niet kunnen doen want Toosje mepte voor een tweede keer en een derde keer.
Hij viel, zijn brommer viel over hem heen.

b) ‘Net goed!’ zei Toosje. Ze was een beetje verbouwereerd door de derde klap die ze had gegeven, en die ernstig was aangekomen. ‘Val nooit een meisje lastig dat net in Australië is geweest,’ zei ze in zichzelf.
Ze was 19 jaar, klein van stuk met een baby face, en had een half jaar in Australië gebackpackt. Ze was al eerder lastig gevallen en een Australische kennis had haar gezegd dat ze a hammer op zak moest hebben, voor zulke gevallen. Een hamer echter leek haar een te gevaarlijk voorwerp. Ze had echter standaard een pincet in haar jaszak, die ze in voorkomende gevallen niet zou aarzelen te gebruiken.
Maar een didgeridoo is uiteraard ook een uitstekend verdedigingsmiddel.

(a) De bromfietser lag doodstil aan de kant van de weg en Toosje begon toch wel een. beetje ongerust te worden. Wat nou als ze hem dood had geslagen? Ze dacht even na en pakte toen haar GSM en belde 112.
‘Er ligt een bromfietser langs de kant van de weg,’ zei ze tegen degene die de telefoon beantwoordde. Ze noemde de plaats waar de man lag en toen fietste ze keihard in paniek weg. Ze vond ergens een parkje met een bank, draaide een sigaretje en dacht na over wat ze verder moest doen. In de verte hoorde ze sirenes.

b) ‘Stop met panikeren!’ bedacht ze echter, en ze bekeek haar didgeridoo. Er zat wat bloed, 30 centimeter van het uiteinde. Dat bloed veegde ze eraf met een eikeblad dat naast het bankje lag. Voor de zekerheid deed ze het eikeblad in haar jaszak, maar ze haalde het er weer uit toen ze een afvalbak zag. Daar deed ze het eikeblad in, veegde haar handen keurig af, en klaar was kees. ‘That’s the way we do it, down under,’ zei ze zachtjes, terwijl ze de fiets weer nam en opstapte.
Nog geen 50 meter verder moest ze weer terugfietsen, omdat ze de didgeridoo had laten liggen bij het bankje.

(a) Toen ze terugkwam besloot ze het eikeblad toch maar weer mee te nemen, ze zou dat thuis wel ergens verdonkeremanen.
Eigenlijk was ze ontzettend boos op die vent die haar avond verpest had en haar misschien ook nog verdere moeilijkheden kon bezorgen als hij nog leefde. Als hij nog leefde kon hij een signalement van haar geven en vertellen dat hij klappen met een didgeridoo had gehad.Ze zouden vast naar haar op zoek gaan.
Ze fietste naar huis, gelukkig waren haar ouders er niet, ze ging naar haar kamer, gooide de didgeridoo onder haar bed en ging liggen. De volgende ochtend las ze in de krant dat er een bromfietser zwaargewond was aangetroffen op de Laan van Meerdervoort in Den Haag. In de loop van de nacht was hij bezweken aan zijn verwondingen.

b) Tot zover het verslag van Toosje, uit haar herinneringen aan de nare gebeurtenis, die bijna op de kop af tien jaar geleden had plaatsgevonden. Van de bromfietsberijder zijn natuurlijk geen herinneringen beschikbaar. Wel beschikbaar zijn de herinneringen van een getuige, de heer Kees L. Hendriksen, die toentertijd woonde op het adres Laan van Meerdervoort 202, waar het ongeluk gebeurde.
Kees L. Hendriksen is nu Kamerlid voor de VVD. We vroegen hem waar de L voor staat.
‘Die heb ik er gewoon tussen gezet,’ zei de heer Hendriksen.
En wat herinnert u zich van die avond?
‘Allereerst en op de eerste plaats was het slecht weer. En het was donker, ook dat moet u meenemen bij de beoordeling van de zuiverheid van mijn herinneringen. Maar wat mij opviel, was dat een jongeman - ik vermoed van Marokkaanse of Turkse oorsprong - opeens een zwaard trok. Een zwaard, ja. Voor mijn huis nota bene. Ik stond verstijfd voor mijn raam. Want wanneer zie je zulk geweld? Nooit. Het is altijd goed, niet alleen als Kamerlid, om midden in de samenleving te staan. En dat rotjoch haalde opeens uit met dat zwaard, naar een voorbijrijdende fietser. Beng! Fietser zwaargewond natuurlijk, die is dezelfde nacht nog overleden. Er is nog een politieke rel over geweest.’
Een politieke rel? Vertelt u eens.
‘Wel! Natuurlijk kwam het in de krant en op Nova, daar moesten ze natuurlijk getuigen van zien op te sporen. En daar was getuige nummer één: yours truly. Het was het begin van mijn carrière als politicus.’

Uit het ziekenhuis

Maandagmiddag ben ik uit het ziekenhuis ontslagen, ik had nog wel een wonddrain maar er was geen reden om daar nog langer te blijven.
Ik zal een dezer dagen verslag doen.

zaterdag 12 april 2008

Het verhoor, een verhaaltje voor bij de thee.

Dit is weer een verhaaltje dat we vanmiddag geschreven hebben. (a) ben ik (b) is Ben


(b) Gaat u daar maar zitten, mevrouw. Ja, Klem? Waar bel je vandaan? De Kamerlingh Onnesstraat. Nee, dat is goed. Die mevrouw hebben we hier, die zit nu tegenover me. Ja. Prima. Bel me maar als je iets hebt, Klem. Zo, mevrouw. Daar zitten we dan. U begrijpt wel waarom u hier gekomen bent, uw huis wordt op dit moment op verder bewijsmateriaal onderzocht. Laten we eerst maar even de noodzakelijke formaliteiten invullen op dit papier. Uw volledige naam, geboortedata, uw werkkring enzovoorts.

(a) Mijn volledige naam is Laetitia van Larixhof, ik heb geen geboortedata want ik ben maar één keer geboren en dat was, even denken hoor, op 9 maart 1967. Mijn werkkring? Tja ik ben een kleine zelfstandige. Ik verkoop zelfgemaakte hebbedingetjes.
Ik wil wel meewerken maar dan moet u mij toch even uitleggen waarom ik hier zit. Ik begrijp er helemaal niets van.

(b) Nieuws van Klem op de mobiele telefoon. Moment, mevrouw. Ja, Klem? Je hebt iets gevonden? Wat? Een paspoort. Welke naam staat erop? Laetitia van Larixhof. Mooi. Klem, gebruik ook je neus nog even. Ja, je neus. Waarvoor? Waar heb jij nou een neus voor gekregen? OM TE RUIKEN, SUFKONT!!! En bel me weer als je iets gevonden hebt.
Mevrouw, het spijt me dat ik zo uitbarstte, maar je moet je mensen soms drie keer in drie verschillende bewoordingen iets uitleggen. Waar waren we. Waarom u hier bent. In eerste aanleg omdat we een aangifte hebben ontvangen van uw buren. Die maken bezwaar tegen het begraven van kattenlijkjes in uw tuin.

(a) En waar word ik dan precies van beschuldigd? Kattenmeppen? Ja, als één van mijn katten overlijdt begraaf ik het lijkje in mijn tuin met een bordje erbij: Minet 1990-2004 Rust in Vrede of Josip 1921 2007 God hebbe zijn katteziel.
Is daar iets op tegen eeh hoe was uw naam zei u?
Mijn bovenburen lijden aan geestelijke armoede en ze zitten de hele dag uit te kijken of ze niets iets zien waarover ze kunnen zaniken en zeuren. Ze zijn denk ik jaloers op het feit dat ik van heel goede afkomst ben. Het zijn sensatiebeluste zeverende kleinburgerlijke mensen die niets na zullen laten om anderen in diskrediet te brengen. Als ik nou nog een hennepplantage in mijn achtertuin had, ja, dan hadden ze iets om over te zeuren.

(b) Nederhorst is de naam, mevrouw. Peter Nederhorst. We stappen nu over op een geheel ander onderwerp. U bent getrouwd geweest met een, dat moet ik even nakijken, hier heb ik het, een meneer Johan Terstengen van de Wal. Die meneer verdween op 18 augustus van het jaar 2001. Vertelt u me eens, mevrouw, heeft Johan inmiddels alweer iets van zich laten horen?

(a) Oh, meneer Nederhorst, u gaat nu uit een ander vaatje tappen? Ik heb mijn ex de bons gegeven omdat hij steeds in de billen kneep van de dienstmeisjes die wij hadden, en als hij het daar nou nog bijgelaten had...
Hij heeft ons laatste dienstmeisje zwanger gemaakt en uiteindelijk is hij er met haar vandoor gegaan. Good riddance, vond ik zelf. Ik heb daarna nooit meer iets van hem vernomen. En wat mij betreft hoor ik ook nooit meer iets van hem.
Maar als u nu toch bezig bent om mijn tuin om te spitten kunt wellicht ook zoeken of u daar zijn lijk vindt. Ik vind uw vraag overigens nogal insinuerend.

(b) Daar hebben we meneer Klem weer. Ja, Klem? Nederhorst hier. Je hebt niets geroken? En in de achtertuin? Ja, ga daar maar eens kijken. En bel me dan.
Dat personeel van tegenwoordig, daar heb je ook niets meer aan, mevrouw Van Larixhof. Maar sommig personeel, daar heeft de politie iets aan. Neem Kaatje Veninga, het zwanger gemaakte dienstmeisje. Die zei ons dat uw Johan in Calafate (Zuid-Argentinië) zou zitten. Dus wij hebben Interpol op de zaak gezet, maar in Calafate heeft nooit een Nederlander gezeten. Ook uw Johan niet. Vandaar dat wij ons een beetje zorgen maken, dat begrijpt u wel.

(a)Mijn Johan? Ik denk het niet. Het is duidelijk dat Kaatje Veninga meer weet over Johan's verblijfplaats dan ik. Misschien heeft hij gezegd dat hij naar Calafate ging en is hij in werkelijkheid in Hawaii of zo om daar de plaatselijke schonen in de billen te knijpen,
Het kan ook zijn dat hij op de bodem van de Atlantische Oceaan ligt. Ik begrijp niet wat het met mij te maken heeft.

(b) Toe, Klaas. Nu kom je alweer te vroeg op. Je moet pas opkomen als ik zeg: standaard loopt het onderzoek enzovoorts. Wat een ezel hè, Sonja? We hebben dit nu drie keer gerepeteerd en drie keer komt Klaas te vroeg op. Timing is het woord, Klaas! Zullen we maar een kopje koffie nemen, Sonja, of iets sterkers?

(a) Klaas in inderdaad wel een sufferd, laat ons in godsnaam iets sterkers nemen. Een heerlijke alcoholische versnapering of twee, drie en geef Klaas er ook één. Misschien knapt hij daarvan op. Het kan ook zijn dat hij daar van afknapt maar dan hebben wij in ieder geval ons best gedaan.

vrijdag 11 april 2008

Het prinsesje, een verhaaltje voor het slapen gaan.

Vanavond hebben Ben en ik samen een verhaaltje gemaakt. Zijn bijdragen beginnen met een b en de mijne beginnen met een a


(a) Er was eens een prinsesje met een heel grote mond. Toen ze nog klein was stond ze in de wieg te brullen naar de lakeien en de hofdames , haar stemgeluid was zo hard dat men bang was dat de ruiten zouden springen. Ze noemden haar prinsesje Stemband en soms ook wel eens piggetje omdat ze zo mollig was en zoveel at.
Haar vader, koning Roderick de 4e was een echte bullebak dus het prinsesje had het niet van een vreemde. De liefste bezigheid van prinsesje Stemband was met appels gooien naar de kroonluchters in het paleis en raakgooien, dat kon ze wel. Niemand wist wat ze met haar aanmoesten.
(b) Niet totdat een chirurg werd aangesteld aan het hof. Of liever, een chirurgijn, want dit verhaal speelt in de middeleeuwen, om precies te zijn bevinden we ons in kasteel Beldrick.
Deze chirurgijn - wiens naam helaas niet meer te achterhalen is - stelde vader Roderick het volgende voor: 'Inbinden en dichtnaaien, dat is het antwoord in het geval van lastige kinderen, sire.'
(a) "Ínbinden en dichtnaaien?" bulderde de koning, "ik zal jou inbinden en dichtnaaien en dan de kasteelgracht ingooien. Mijn kinderen worden niet ingenaaid en dichtgebonden. Eruit en gauw voordat ik de honden op je loslaat. Opgesodemieterd!".
De chirurgijn wist niet hoe snel hij zich uit de voeten moest maken en hij wist nog net een paar appels te ontwijken die prinsesje Stemband met vernijnige precisie op hem afvuurde.

(b) Echter, een kamenier - van wie wij wel de naam kennen, maar die wij niet openbaar zullen maken - had het verhaal gehoord, en hij ging de volgende ochtend op zoek naar de chirurgijn. Hij had lang zoeken, want in de nevel van de middeleeuwen waren er nog geen plaatsnaambordjes of huisnummers. Maar tenslotte vond hij de man.
'Ja?' vroeg de chirurgijn. 'En wat mankeert u?'
'Mij mankeert niets, meester. Ik kom voor advies.'
(a) "Maar ik had al advies gegeven en u hebt gezien wat dat teweegbracht", sprak de chirurgijn.
De kamenier stond de trillen op zijn benen.
"Wij weten ons geen raad meer met dat kwaadaardige kind en die vader die haar steeds de hand boven het hoofd houdt." jammerde de kamenier.
"Ze heeft de hele boomgaard leeggeplukt en bekogelt iedereen met appels, het liefst onrijpe want die zijn nog hard. Ze heeft zelfs een soort instrument , een soort reuzekatapult gemaakt waarmee ze ze af kan schieten. Ze heeft laatst een ruiter geraakt die van schrik van zijn paard is gevallen."

(b) 'Natuurlijk, natuurlijk. Hier, een glaasje water,' sprak de chirurgijn. Hij was ook de eerste die in die streken drinkwater produceerde en dat water exporteerde naar andere streken.
'Met dat inbinden en dichtnaaien bedoelde ik ook niet letterlijk inbinden en dichtnaaien. Ik had daar, wat wij in de waterindustrie noemen, een meer stromende bedoeling mee.'
'U gebruikte beeldspraak?'
'Inderdaad.'

(a) "Meester, ik ben natuurlijk ook maar een ondeskundige op het gebied van de waterindustrie, kunt u wellicht uitleggen wat u precies bedoelt?
Een stromende bedoeling met het dichtbinden eh excuus, inbinden en dichtnaaien is voor mij toch wat moeilijk te bevatten. Kunt u het wat duidelijker maken?

(b) 'Nergens nog is dat bekend, de literaire allusie, de literaire toespeling,' verzuchtte de chirurgijn, 'maar ik zal het u uitleggen. Kijkt u eens. Een rivier begint als een klein stroompje en wordt, honderden kilometers later, een brede watervlakte. Dat kind, dat meisje - hoe heet ze ook alweer, Agnes? - doet nu nog kattekwaad, maar dat kattekwaad zal allengs verergeren tot misdaden. Wat wij nu moeten doen, is zorgen dat dat niet gebeurt. We moeten haar dus indammen, om weer met een term uit de waterindustrie aan te komen.'
'Indammen? Dat zal ik mijn heer vertellen,' reageerde de kamenier.

(a) "Maar u hebt nog steeds niet verteld hoe u van plan bent dat te bewerkstelligen en ik denk dat de Sire dat ook wel graag wil vernemen. Hij is erg beschermend naar Agnes toe, logisch want
zijn vrouw heeft hem maar één kind geschonken maar hij weet ook dat zij, zoals zij zich nu gedraagt, niet geschikt is als troonopvolgster.
Uw maatregel zal dan ook niet gepaard mogen gaan met fysiek geweld tegen het meisje."

(b) 'Eerlijk gezegd verbaast het me steeds, als mensen denken dat mijn methode van de psychologica zoiets is als het trekken van de verstandskiezen. Dat is het niet,' sprak de chirurgijn.
De lezer zal opmerken dat hier (in het jaar 1294) voor het eerst gesproken wordt over psychologica. De psychologica zou pas in de 20ste eeuw de wereld veroveren, en veel kwaad aanrichten. Dat was natuurlijk niet te voorzien in het jaar 1294.
'Ik stel mij voor,' vervolgde de chirurgijn, 'dat het kind, gelegen onder een baldakijn, naar mij gaat luisteren.'
En zo ging de uitleg van de chirurgijn voort. Het eindigde met de overhandiging van enkele dukaten.

(a) "Zoiets is toch niet echt verwonderlijk als zo een cryptische omschrijving geeft van wat uw voornemens zijn met het meisje?" vroeg de kamenier.
Hij dacht dat het misschien ook wel eens goed zou zijn als Koning Bullebak zelf eens onder het baldakijn ging liggen luisteren, maar eerst moest het kleine etterbakje onder het baldakijn.
Hij haastte zich terug naar het paleis terwijl hij nadacht over de juiste bewoordingen waarin hij de methode van de chirurgijn kon weergeven.

(b) Nu is het, meer dan 800 jaar later, moeilijk om nog waarheidsgetrouwe weergaven van gesprekken naar boven te halen. In elk geval bleek Roderick de 4e overtuigd van de werkzaamheid van de methoden van de chirurgijn. Hij liet de chirurgijn normaals aan het hof verschijnen en overhandigde hem het bezit van enkele landerijen. Dat is ook de reden waarom sommige historici geloven dat de chirurgijn Immelsfeld heette, naar de naam van het landgoed dat daar nog steeds ligt. Het kan natuurlijk ook zijn dat dat landgoed al zo heette toen de chirurgijn het kreeg.

(a) De methode van de chirurgijn had het gewenste effect, het etterbakje werd een aardige, weliswaar pittige jonge vrouw en toen de tijd gekomen was nam zij de troon over van haar vader en werd Koningin Agnes de 1e. Zij huwde een prins en kreeg 14 kinderen.

(b) Natuurlijk hadden wij graag meer van de methodieken van de chirurgijn beschreven, wij hadden ook graag meer beschreven over de riolering van Beldrick, die direct werd aangelegd, maar dat valt allemaal buiten dit relaas.
Laat één ding duidelijk zijn: met de psychologica van de chirurgijn zijn grote stappen gezet voor het welzijn der mensheid!

donderdag 10 april 2008

John Dowland - Go crystal tears

Go crystal tears, like to the morning show'rs,
And sweetly weep into my lady's breast,
And as the dews revive the drooping flow'rs,
So let your drops of pity be adress'd
To quicken up the thoughts of my desert
Which sleeps too sound whilst I from her depart.

Haste, restless sighs, and let your burning breath,
Dissolve the ice of her indurate heart,
Whose frozen rigour like forgetful Death,
Feels never any touch of my desert,
Yet sighs and tears to her I sacrifice,
Both from a spotless heart and patient eyes.


Andreas Scholl sings John Dowland and his comtemporaries

woensdag 9 april 2008

Borstkanker

Op een ochtend sta je voor de spiegel in de badkamer en dan zie je iets vreemds aan je borst.
Dat was er nooit eerder en je begint te voelen. Er zit iets hards, vreemd , zoiets komt niet plotseling.
Het moet er dus al een tijdje gezeten hebben.
Maar ik kan toch geen tumor in mijn borst hebben, denk je, een nieuwe tumor in mijn longen zou ik begrijpen maar dit niet.

Het is vrijdag, ik besluit dat als het maandag niet weg is dat ik dan naar de huisarts ga. Maar het gaat natuurlijk weg, het is vast een ontsteking.
Zaterdag durf ik bijna niet te kijken en te voelen, bang dat het erger is geworden. Nee, het is niet erger, maar het is ook niet weg. Zondag dan misschien? Nee, zondag is het nog steeds hetzelfde.
Omdat ik het ook benauwder heb dan anders maak ik een afspraak met de huisarts met het idee dat ik altijd nog kan besluiten om mijn kop in het zand te steken en er niet met hem over te beginnen.

Onzin, girl, je gaat naar hem toe en je ziet wel wat hij ervan vindt. Met lood in mijn schoenen ga ik de spreekkamer in. Ik vertel het hem en hij wil dat ik direct een afspraak maak voor de mamapoli.
'Ga ik nog kijken naar je borst?' vraagt hij. Terwijl hij kijkt houd ik hem nauwlettend in de gaten en zijn gezicht staat ernstig. 'Je moet er rekening mee houden dat het kwaadaardig is' zegt hij.
Ik krijg een verwijsbrief en hij zegt me dat ik elke moment van de dag kan bellen als ik mijn hart wil luchten of informatie nodig heb.

Dan sta ik buiten. De tranen lopen over mijn wangen of is het de regen? Nee, het zijn tranen.
Ik moet nog boodschappen doen en ik rijd naar de supermarkt met mijn hoofd in een wolk van grijze drab. Ik koop wat dingen en ik loop naar de kassa.
'Dag mevrouw alles goed?' vraagt de kassajuffrouw. 'Ja hoor, prima' ,antwoord ik. Het is natuurlijk niet prima maar dat zeg je toch altijd als iemand je dat vraagt?
Je zegt niet: “ Zojuist , lieve kassajuffrouw is mijn wereld in tienduizend stukjes gedonderd.'

Ik krijg een afspraak op de mammapoli op vrijdag. Ik word er onderzocht en daar wordt het vermoeden dat het kwaadaaardig is bevestigd. Of ik maar even foto's wil laten maken en een echo.
En dan worden mijn borsten geplet, eerst van boven naar beneden en dan van links naar rechts.
Dan naar de echo, daar worden er holle naalden in gestoken voor een punctie, gelukkig wel verdoofd.
“Nog eentje om het af te leren.” zegt de arts terwijl ze de laatste punctie doet.
Dan wordt er nog een naald in mijn oksel gestoken bij een lymfeklier die ook mee schijnt te doen bij het hele proces.
Au, dat doet pijn. “Verdoven van de lymfeklier is net zo pijnlijk “, vertelt de assistente.
Daarna krijg ik te zien hoe de biopten eruit zien.
Inmiddels krijg ik het gevoel dat mijn borsten in bezit zijn genomen door artsen en dat ze niet meer van mij alleen zijn.

Terug op de mammapoli heb ik een gesprek met de arts. Om uitzaaingen van longkanker uit te sluiten willen ze dat ik een leverecho en een botscan laat maken dus weer terug naar het ziekenhuis na drie dagen.
Gelukkig vertelt de arts die de leverecho maakt me direkt dat er niets gevonden in de lever.
Daarna ga ik naar de poli waar de botscan moet worden gemaakt. Het is de bedoeling dat ik eerst een injectie krijg met radio actieve stoffen, dan moet ik drie uuer wachten vordat de botscan kan worden gemaakt. Ik krijg de injectie en het advies om veel water te drinken in de tussentijd. Dat doe ik braaf en 'smiddags wordt de botscan gemaakt.
21 maart krijg ik de uitslag van de onderzoeken.

Dus op 21 maart meld ik me weer bij de mammapoli in de hoop dat er iets meer bekend is.
Helaas, ze weten dat de tumor kwaadaardig is maar ze willen dat ik nog een MRI scan laat maken.en ook dat ik even naar de longarts ga om dat die me even wil zien.
Wel eens een MRI scan gehad? Je ligt in een holle buis met je hele lichaam, dat is op zich al reden genoeg om het op je zenuwen te krijgen maar het apparaat produceert ook nog helse geluiden.
Ik heb anderhalf tabletje ingenomen en ik ben heerlijk in de MRI-buis in slaap gevallen, ondanks de helse geluiden.

Maandagochtend meld ik me bij de longarts. Die is al helemaal op de hoogte van alles en die vertelt mij dat het een lobulair carcinoom is en dat er totaal geen verband is met het longcarcinoom van 8 jaar terug. Ik heb gewoon voor de tweede keer kanker gekregen. Het is een hormoongevoelige kankersoort en dat geeft betere vooruitzichten.
Maar hij wil toch dat ik nog een CT scan laat maken, een hartfilmpje en een longfunctie test laat afnemen.
En weer rijd ik naar het ziekenhuis in Delft

De maandag erop krijg ik eerst in Delft de uitslag en 'smiddags in Voorburg de uitslag van de CT scan en de longfuntctie test.
Mijn borst moet worden geamputeerd, de chirurg geeft geen garantie als ze een borstbesparende operatie doen en ook worden de lymfeklieren in mijn oksel weggehaald.
Dat komt hard aan! De oncologieverpleegkundige blijft nog even zitten, geeft mij een boekje met wat extra informatie en we maken nog een afspraak voor een gesprek.

Ik ga naar huis, daar kan ik mijn tranen de vrije loop laten. En dat gebeurt ook.
Als ik uitgehuild ben is het al bijna tijd om naar de longarts te gaan.
Daar blijkt de CT scan goed te zijn, mijn longen zijn schoon, mijn longfunctie is achteruit gegaan, maar dat is iedere keer iets minder. Ik moet 2 dagen voor de operatie 20 mg prednisolon gaan slikken tot drie dagen erna en tijden mijn ziekenhuis verblijf moet ik 4 x per dag aan de vernevelaar met Combivent.

“Je hebt al bewezen dat je een survivor bent”, zegt de longarts, 'dus deze keer zorg je ook maar dat je het overleeft”.

De donderdag daarop heb ik nog een gesprek met de oncologieverpleegkundige over allerlei praktische zaken.
Geen nachthemden in het ziekenhuis want ik kan mijn arm de eerst dagen niet omhoog doen. Ik krijg een prothese mee vanuit het ziekenhuis en ik moet een sportbeha kopen want daar past de prothese in.
Ook krijg ik een kaartje voor in mijn portemonnaie met een waarschuwing dat ik geen injecties mag hebben in mijn linkerarm en ook bloedprikken mag alleen nog maar in mijn rechterarm. En ik moet altijd een flesje Sterilon en pleisters op zak hebben omdat zelfs het kleinste wondje lymfoedeem kan veroorzaken.
Het duizelt me, ik vind het heel confronterend maar wel goed dat ik het van tevoren weet.

Op 16 april gaat hij eraf, mijn linkerborst, dat is over een week. Ik kijk er elke dag naar, ik moet afscheid nemen en dat valt me zwaar. Ik ga nog een foto nemen zodat ik weet hoe ik er vroeger heb uitgezien.